De determinatiekenmerken zijn geïllustreerd met foto's van 2 vrouwen Ancistrocerus claripennis (preparaten Naturalis, Leiden).
Preparaat fe01 betreft een vrouwtje verzameld in Nijswiller (NL), 3 augustus 1977, B.V. Lefeber
Preparaat fe02 betreft een vrouwtje verzameld in Wageningen (NL), 20 augustus 2010, L. Blommers
De toepasselijke determinatiekenmerken zijn ontleend aan de tabel van de Duitse jeugdbond (DJN), Bestimmungsschlüssel für die Faltenwespen van Christian Schmid-Egger, 2003.
De tabel behandelt mannetjes en vrouwtjes apart. We kiezen voor vrouwtjes (6 achterlijfsegmenten: foto 2).
1. Wat is de kleur van de poten? Dan kiezen we voor geel-zwart (foto 1): naar 2.
2. Het propodeum is zwart, dus zonder gele zijvlekken (foto 1): naar 4.
4. De lange profiellijn van sterniet 2 verloopt gelijkmatig (niet hoekig) naar de groeve (foto 2): naar 8.
8b. De ribben op de breuklijn (groeve) van sterniet 2 (foto 3) zijn in het midden ongeveer even lang als die aan de zijkanten; (Vgl. Gusenleitner: niet korter dan aan de zijkanten.
De tekening van de ribben, waarnaar wordt verwezen door Schmid-Egger, laat een plaatje (fig. 34) van de groeve zien met in het midden duidelijk langere ribben dan aan de zijkanten en is dus wat verwarrend.)
8c. Sterniet 2 na de groeve verloopt in zijaanzicht vlak (foto 2): naar 12.
12a. Sterniet 2 is in profiel vrijwel recht of heel licht naar buiten gebogen (foto 2)
12b. Tergiet 6 heeft altijd een gele vlek (foto 1 en 5). Scutellum en metanotum meestal geel gevlekt (foto 1)
12c. De dwarslijst van tergiet 1 (foto 4) is, vanaf de voorkant gezien, in het midden smal en vlak ingesneden en de zijranden zijn gelijkmatig of licht afwijkend gebogen.
Schmid-Egger geeft aan dat de midden-inbochting vlak is en gering, maar het lijkt toch wat forser te zijn. De zijden zouden duidelijk convex gebogen verlopen met zijn verwijzing naar een tekening van die vorm voor een vrouw gazella, die dan dus ongeveer gelijk van vorm zou zijn. Dat is bij de exemplaren die ik zag anders (recht of licht concaaf, meer lijkend op parietum). Kennelijk is het een variabel kenmerk of is die verwijzing niet juist. De tekst bij 12c is daarom iets aangepast om verwarring te voorkomen.
Zie ook de nadere toelichting bij foto 8.
Dat geeft als uitkomst: vrouwtje Ancistrocerus claripennis (9 -13 mm).
Sommige kenmerken van deze wesp komen in de tabel niet aan de orde, zie onderstaand.
- De vorm van de clypeus is breder dan lang (foto 6).
- De onderkant van de antennevlag kan, vooral aan het begin en het eind, vaag oranjerood zijn (foto 6).
- Op het mesopleuron kan een gele vlek aanwezig zijn (foto 7), maar niet altijd (foto 8).
- De vleugels van het vrouwtje van deze soort zijn meestal opvallend helder (foto 1), maar niet steeds even sterk (foto 8).
Schmid-Egger heeft (alleen) voor deze soort nog een A-typische vorm beschreven. Voor vrouwtjes betreft het punt 11b, waar je uitkomt via punt 8a, 9b, 10b: de middelste ribben in de groeve van sterniet 2 zijn dan dubbel zo lang als de buitenste 2 of 3, terwijl de lange zijlijn van sterniet 2 dan niet vrijwel recht is, maar licht convex gebogen. Dat zijn dus geen kleurkenmerken, maar morfologische kenmerken, die normaliter een sterker gewicht hebben dan kleurkenmerken. Het roept de vraag op waarop deze 'zijweg' gebaseerd is en dus vooral waarom het dan claripennis zou zijn en geen andere soort. Andere tabellen voor Ancistrocerussoorten noemen geen A-typische vorm bij vrouwtjes claripennis. De lengte van de basaalribben is misschien nog het belangrijkste kenmerk dat iets variabel is. Mogelijk gebruikt Gusenleitner daarom een andere formulering: 'in het midden niet korter dan aan de zijkanten', waarmee dan ook mogelijk is, dat de middelste langer zijn dan die aan de zijkanten.
Of die A-typische vorm via DNA-vaststelling is gecheckt wordt niet vermeld. Vermoedelijk niet, want de eerste oplage van deze tabel dateert van 1994 (in 2003 opnieuw bewerkt) en toen was dergelijk onderzoek niet gebruikelijk bij determinatie van insecten. Indien mogelijk kan deze 'zijweg' misschien beter gemeden worden.
Op deze pagina van een vrouw Ancistrocerus claripennis is ter illustratie gebruik gemaakt van 2 collectie-exemplaren van Naturalis. Beide preparaten hebben afwijkingen die toepassing van de tabel bemoeilijken. Mogelijk heeft de A-typische vorm die Schmid-Egger noemt daarmee te maken en zijn er meer afwijkingen dan die hij noemt, zie ook de toelichting bij foto 8. Dan is claripennis de lastigste Ancistrocerus-soort om in tabelkenmerken vast te leggen en daarna correct te kunnen benoemen.
De eerder vermelde verschillen in aanduiding tussen Schmid-Egger en Gusenleitner inzake de lengte van de ribben in de groeve van sterniet 2 zijn mogelijk belangrijker dan het lijkt. Als een ancistroceris-vrouwtje ribben S2 heeft die niet gemakkelijk te duiden zijn, dan is het wellicht wel mogelijk om te zien dat de middelste rib(ben) niet korter zijn dan die aan de zijkanten. De wesp met de aanduiding in de fotonaam fe01 heeft bepaalde passsende kenmerken, zoals de gele ronde vlek op T6 en een licht gebogen regelmatig verloop van S2 na de groeve. De vorm van de ribben S2 is wat rommelig en onduidelijk (foto 9). Een passende beoordeling daarvan is: 'middelste rib is niet korter dan de paar buitenste'. Of de middelste rib minstens even lang is kan door het rommelige beeld (van een toch heel redelijke foto) niet gemakkelijk worden vastgesteld.
Vooralsnog is de vorm van de zijlijn S2 (vrijwel recht of over de gehele lengte heel licht uitgebogen) één van de weinige zekere kenmerken. DNA zou een uitkomst zijn.
In de inleiding van deze Ancistrocerustabel van Schmid-Egger verwees ik ook nog naar de tabel van J. Gusenleitner om in twijfelgevallen nog eens een andere aanpak te zien bij determinatie van Ancistroceruswespen.
1. Tabel Gusenleitner, 1995, pag. 756 e.v.: t.a.v. riblengtes Sterniet 2 en diameter Metatars 3 geldt als volgt voor vrouwtjes:
Het gebruik van de diameter van metatars 3 t.o.v. riblengtes S2 lijkt een aardige vondst als die bruikbaar is, maar heeft veel bezwaren en problemen, zowel qua toepassing als qua uitkomst. Dat Gusenleitner ermee worstelt is ook te zien aan de cryptische omschrijvingen.
2. Het is voor velen lastig om de genoemde afmetingen te bepalen. Hoe men dat in de tijd van de totstandkoming van de tabel Gusenleitner (omstreeks 1995) deed, weet ik niet. Met eenvoudige middelen lukt dat niet, want het meten komt erg nauw. Met tegenwoordige microscopen zijn er hulpmiddelen die het meten vergemakkelijken, bijvoorbeeld een meetoculair.
3. Omstreeks 1990 kwam het fotobewerkingsprogramma Photoshop op de markt. Het is nu niet meer weg te denken, want het kan zeer veel. Je kunt er ook van een bepaald deel op een foto het aantal pixels mee bepalen. Zet je dus een streepje in metatars 3 ter aanduiding van de doorsnede en eveneens naast de middelste ribben in sterniet 2, dan kan je de aantallen pixels bepalen van die onderdelen. Het gaat niet om de exacte lengte van millimeters of kleiner, maar om de verhoudigsgetallen. Dat kan je ook realiseren met 2 aparte foto's van ieder objectonderdeel, met de camera en de lens in exact dezelfde standen.
4. Omdat het gaat om verhoudingsgetallen moeten de te meten objectdelen in hetzelfde scherptevlak van de foto liggen. Dat kan alleen in één aparte foto's als de scherptediepte, die bepaald wordt door het type lens en het gebruikte diafragma geen belangrijke rol spelen. Bij mijn Canon 65mm macrolens is de scherptediepte met gebruik van diafragma 9 circa 0,5 mm. Als beide te vergelijken onderdelen op de foto scherp tonen kan dat voldoende zijn. Met die gegevens heb ik soms foto's kunnen maken die bruikbaar zijn voor vergelijking van aantallen pixels van objectdelen (van het insect) die in het zelfde scherptevlak liggen, want dan is er nauwelijks vertekening van één van de delen.
Bij die pixelvergelijking heeft het gebruikte diafragma en de de ISO-waarde geen invloed op het aantal pixels, maar let op: de DPI-instelling heeft dat wel, maar dat is een camera-instelling die je niet steeds wijzigt (bij mij momenteel 300 dpi via RAW) en dat geldt ook voor de lens-uittrek, die veel invloed heeft op het aantal pixels. Helaas heb ik geen bruikbare foto's van een man claripennis, maar wel van vrouwen claripennis, waarbij die kenmerken alleen maar verwarring geven en niet scoren, want het tegenovergestelde is het resultaat van metingen: ribben S2 zijn duidelijk langer dan de diameter van metatars 3 in plaats van korter. Zie ook een door mij gemaakt overzicht van pixels-per-mm.
5. De insect-onderdelen waarop de vergelijking van toepassing is, zijn bij mij toevallig totstandgekomen, omdat ik geen rekening hield met dit kenmerk van Gusenleitner. Als je dat wel doet, is het beter om aparte (scherpe) foto's te maken van de te vergelijken onderdelen, waarbij de lensuittrek en het diafragma gelijk zijn. Scherpstelling doe je met de Canon 65mm macrolens door met de (gehele) camera te bewegen in de richting van het object, want autofocus ontbreekt en dat is voor dit soort acties juist een voordeel.
6. Het lijkt gemakkelijk dat dit een dwingende route in de tabel is. Helaas kom je met afwijkende meetuitkomsten nooit meer op de parietumgroep uit, waar dat mogelijk wel gewenst is door andere kenmerken.
7. De conclusie is dat determinatie van de muurwespen van de Parietumgroep (parietum, gazella en claripennis) via de tabel van J. Gusenleitner niet altijd leidt tot bevredigende resultaten, omdat de vergelijkende meetmethode ribben S2/doorsnede metatars 3 erg onzeker is, soms zelfs zo dat het tegenovergestelde een uitkomst is.
8. De in 2025 uitgebrachte plooivleugelwespentabel van Smit/Klein gebruikt helaas deels de onbetrouwbare (en ook moeilijk uit te voeren) meetmethodes van Gusenleitner.
9. Voor de mannetjes geldt merendeels hetzelfde, couplet 69 op pag. 59 van de tabel Smit/Klein geeft in het eerste deel aan dat de ribben S2 in het midden korter zijn dan de diameter metatars 3 met verwijzing naar fig. 199 en 200, waar niet van mannetjes, maar van vrouwtjes (?) de ribben S2 worden getoond. Er wordt direct verwezen naar het eerste deel van couplet 70: zijaanzicht langste deel van S2 is vlak en de middelste rib is niet langer dan de derde rib vanaf de buitenkanten: Ancistrocerus claripennis.
10. Couplet 56b bepaalt dat, als de ribben S2 even lang zijn of langer dan doorsnede metatars 3, je claripennis passeert en in principe ook dat je gaat uitkomen bij één van de na claripennis (en parietum, gazella, longispinosus) genoemde andere Ancistrocerussoorten.
11. De hier toegepaste meetmethode leidt bij alle leden van de Parietumgroep nooit tot 100% zekerheid. Couplet 56 en 57 zijn bij Smit/Klein echter 'stellig' geformuleerd, dus zonder aanduiding van mogelijke afwijkingen. Dat is jammer, want nu geeft het schijnzekerheid, omdat bij genoemde 3 soorten metingsuitslagen anders kunnen zijn, zodaning dat niet slechts gelijke waarden (niet groter of kleiner dan) mogelijk zijn, maar incidenteel ook vrij grote afwijkingen in de omgekeerde richting mogelijk zijn. Let daarop als je die tabel wilt gebruiken.
12. Voor vrouwen en mannen claripennis is het allerbelangrijkste kenmerk de vlakke (of hoogstens licht naar buiten gewelfde) lange zijkant van sterniet 2. Alleen de soort auctus heeft ook een merendeels vlak verloop S2, maar heeft opvallend veel meer geeltekening over het gehele lijf en kan niet met claripennis verwisseld worden.
Christian Schmid-Egger (1962) is 33 jaar na Josef Gusenleitner geboren. Hij is dus een generatie jonger, maar heeft Gusenleitner wel goed gekend en uiteraard ook diens geschriften. Schmid-Egger heeft gelukkig een andere weg bewandeld en zijn eigen wespentabellen gemaakt. Bij Ancistrocerus heeft hij de juistheid van de verhouding ribben S2/doorsnede metatars 3 nergens genoemd, maar vermoedelijk is hij op te veel niet duidelijk te interpreteren uitkomsten gestuit en is hij zijn eigen weg gegaan om een tabel te maken die toegankelijker is voor veel meer liefhebbers. Over het kenmerk van de lengtes van de ribben S2 geeft Schmid-Egger aan bij vrouwtjes claripennis: ín het midden iets langer dan bij de volgende soorten (gazella en parietum). Bij mannetjes claripennis: in het midden iets langer dan aan de rand.
Commentaar bij het gebruik van de tabel van J. Gusenleitner
Die tabel is soms verhelderend, maar er worden ook kenmerken gebruikt die nauwelijks toepasbaar zijn. Als voorbeeld zijn onderstaand de 3 muurwespen van de Parietumgroep eruit gelicht:
- Couplet 1b, 2a: ribben S2 kort, in het midden meestal korter dan ØM3, couplet 3a, 4a ==> parietum
- Couplet 1b, 2a: ribben S2 kort, in het midden meestal korter dan ØM3, couplet 3b, 5b, 7b, 10b, 11a ==> gazella
- Couplet 1b, 2a: ribben S2 kort, in het midden meestal korter dan ØM3, couplet 3b, 5b, 7b, 10a ==> claripennis
Voor mannetjes gelden dezelfde basiswaarden: S2 kort, in het midden meestal korter dan ØM3.
De middelste ribben S2 van een man (en vrouw) gazella en parietum zijn nogal variabel in relatieve lengtes, soms vrij lang. In mijn fotocollectie heb ik daar enkele voorbeelden van. Bij die exemplaren is het twijfachtig of het kenmerk ribben S2/ØM3 dan scoort.
Voor de vrouwtjes van de coupletten 56, 57 van de tabel Smit/Klein moeten de ribben S2 in het midden korter zijn dan de diameter metatars 3.
Bij couplet 57 is ook het veel belangrijkere kenmerk van het vlakke (of hoogstens licht naar buitengewelfde) lange deel van S2 in zijaanzicht toegevoegd. Tevens geldt dat de ribben S2 in het midden niet korter zijn dan de 3e rib vanaf de buitenkant. Of die laatste aanduiding werkelijk iets toevoegt is voor mij onzeker.
Daarbij geldt ook nog de gele vlek op T6, die niet is afgezwakt met 'meestal' of zoiets. Dat is verwarrend als je een exemplaar treft dat die vlakke lijn S2 exact heeft, maar die vlek mist. Helaas komt dat voor en dan kom je dus niet verder met deze tabel.
De uitkomst is: vrouw Ancistrocerus claripennis.
Vervelend is het dus als je bij (vermoedelijke) mannen of vrouwen A. claripennis met de toepassing van de tabel al gelijk moet stoppen, als de maatvoering niet deugt van ribben S2/ØM3.
Omdat die tabel met foto's de kenmerken wil illustreren is het ook jammer en nogal storend dat sommige foto's nadrukkelijk groene kleuren tonen, waar dat groen toch echt geel moet zijn, zie bijv. pag. 52 en 58. Ook het gebruik om onderdelen van mannetjes met een kenmerk van vrouwetjes te illustreren is wat armoedig.
Dat hele 'meetgedoe' in tabellen geeft mijns inziens meer problemen dan dat het ze oplost. Ook beperkt het de doelgroep van tabelgebruikers enorm. Een determinatie-tabel voor Ancistrocerus-wespen kan uitstekend werken zonder deze ballast.
Soms zijn alle ribben S2 ongeveer even lang en een voorbeeld daarvan is hier te zien bij een man A. parietum.
Naar mannetje Ancistrocerus claripennis
Naar Ancistrocerus-soortenoverzicht