Anatomie achterpoot honingbij-werkster met aanduiding van de onderdelen.

Achterpoot van een honingbijwerkster: nadere specificatie per onderdeel

Bij deze foto is begonnen met de heup (coxa), waaraan de poot bevestigd is.
Daarna volgen:
1. de trochanter: een soort scharniergewricht, waarmee de poot zeer draaibaar is;
2. de dij (femur);
3. de scheen (tibia) die bij een honingbijwerkster zeer breed is en is voorzien van zogenaamde korfharen op de buitenzijden; de top van de scheen bevat de stuifmeelkam;
4. de metatarsis (ook wel: basitars) die aan de basis (nabij de stuifmeelkam van de scheen) een stuifmeelpers heeft die bedoeld is om stuifmeel op de andere achterscheen aan te drukken, zodat het blijft zitten;
dan volgen 3 kleine korte tarsleedjes;
dan volgt het voetje;
dan volgen de 2 klauwtjes;
met daartussen het zuignapje (arolium) om op gladde oppervlakken meer grip te hebben.

Koudekerke, 2006.

Foto: © Albert de Wilde