De appelbloem is zo ingericht, dat een bezoekend insect dat nectar wil opzuigen diep in de bloem moet 'duiken'. Bij die actie komt er stuifmeel op de vacht van de bij en geeft ze reeds aanwezig stuifmeel af op de stempel van de appelbloem. Zo komt de gewenste bestuiving tot stand en wordt als vrucht de appel gevormd (eigenlijk de pitten), maar het vruchtvlees is voor de teler en consument waar het om gaat.
Het klokhuis van de meeste appelrassen heeft 5 zaadhokjes en per hokje 2 zaadknoppen. Op deze foto zijn de 5 corresponderende stempels (groenachtige langere stelen) van ieder zaadhokje te zien. Bij een dergelijke appel worden dus maximaal 10 zaden gevormd. Er zijn echter door kruisingen en andere teeltvormen ook afwijkingen, waardoor er minder of meer zaden ontstaan. Voor een correcte vrucht die wij willen is de appelbloem volledig bevrucht (en dus niet deels) en dat geeft dan een evenwichtige vorm.
Foto: © Albert de Wilde